BEROEPSORGANISATIE VAN
SCHRIJVERS EN VERTALERS





 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Position Paper VvL leenrecht
AFKOMSTIG VAN
De Vereniging van Letterkundigen / de Vereniging van Schrijvers en Vertalers, hierna: de VSenV.

AANLEIDING
Schrijvers en vertalers hebben te maken met een enorme daling van hun inkomsten uit leenrecht. Leenrecht is een vergoeding voor het uitlenen door bibliotheken van hun werk: kinderboeken, romans, chicklit, thrillers, romantische boeken, informatieve boeken... alle boeken. Boeken zijn immers auteursrechtelijk beschermd. Bibliotheken mogen daarom alleen boeken uitlenen als aan de auteurs en vertalers een vergoeding wordt betaald. Dit recht op vergoeding is vastgelegd in de Auteurswet.
De VSenV stelt dat de enorme daling van het leenrecht (mede) toe te schrijven is aan de bezuinigingen op bibliotheken, en de totstandkoming van bijvoorbeeld vrijwilligersbibliotheken en de Bibliotheek op school (dBos). DBos beroept zich in bepaalde gevallen op de wettelijke vrijstelling van het betalen van leenrecht aan onderwijs-/onderzoeksinstellingen. Dat is ons inziens ten onrechte.

WAT IS ER AAN DE HAND?
Leesvaardigheid is onontbeerlijk is onze talige maatschappij. Die vaardigheid is alleen te verkrijgen door veel te lezen en om dat te bereiken is een gevarieerd aanbod nodig in de boekhandel en evenzeer in de bibliotheek. Dat brede en gevarieerde aanbod ontstaat niet vanzelf. Daarvoor is het nodig dat er ook in ons kleine taalgebied, voldoende verschillende auteurs boeken schrijven.
Juist in de huidige omstandigheden waarin het boekenaanbod onder druk staat, is het van belang dat we vaststellen dat het individuele belang van de auteur ook een algemeen belang is. Auteurs moeten hun schrijversarbeid immers economisch kunnen exploiteren om hun werk voort te zetten. Anders gezegd: zonder fatsoenlijke betaling (royalty’s, leenrecht en opbrengst van eventuele lezingen tezamen) geen gevarieerd boekenaanbod.
Bij de totstandkoming van de regeling over leenrecht in de Auteurswet stelde de regering dat het openbare bibliotheekwerk geldt als een openbare sociale en culturele voorziening waarvan de (financiële) drempel zo laag mogelijk moet zijn voor de lezers. Men zou kunnen zeggen dat er derhalve een spanningsveld bestaat tussen het algemeen belang en de individuele belangen van de auteur. Maar juist doordat steeds duidelijker wordt dat de economische infrastructuur van het boek in Nederland mede door het beperkte taal– en afzetgebied zwak is en dat de kansen op verslechtering van de markt alleen nog maar toenemen, benadrukte de regering dat meer oog is gekomen voor het feit dat het individuele belang van de auteur ook een algemeen belang is:
“Het gaat hier niet uitsluitend om het materiële belang van de auteur. Auteurs moeten de vruchten van hun arbeid economisch kunnen exploiteren teneinde hen in staat te stellen ook in de toekomst hun arbeid voort te zetten, mede ten behoeve van het algemeen belang. Deze benadering heeft sterk bijgedragen aan het inzicht dat in de huidige omstandigheden met het oog op de toekomst maatregelen geboden zijn ter versterking van de economische positie van de maker.
Deze visie mondt uit in de opvatting dat de belangen van bijvoorbeeld de bibliotheek en de belangen van de maker niet meer als op gespannen voet staand beschouwd moeten worden, maar als convergerend in een algemeen belang. Evenzeer als de bibliotheken maken de auteurs deel uit van een samenhangend boekwezen waarvan een stimulerend effect uitgaat op de leescultuur.”
Deze opvatting (ontleend aan de Memorie van Toelichting) geldt ons inziens nog onverkort, ook na recente wijzigingen in de Wet Stelsel Openbare Bibliotheekvoorzieningen.

Bovendien sprak men destijds (twintig jaar geleden) nog over toenemende kansen op verslechtering van de boekenmarkt. Inmiddels is die verslechtering zichtbaar:
- een afnemend aantal fysieke boekhandels
- in die winkels een beperkter en daarmee minder afwisselend assortiment (vooral ‘top 10’),
- minder openbare bibliotheken/bibliotheekfilialen
- daardoor ook minder laagdrempelige mogelijkheden om boeken te kiezen, lenen en lezen.
De snel opkomende vrijwilligersbibliotheken compenseren dit niet, want zij beschikken niet over een divers aanbod en betalen geen leenrecht. Het brede boekenaanbod waardoor er voor ieder wat wils te lezen is, is daardoor steeds minder zichtbaar. Die mindere zichtbaarheid versterkt vervolgens de marktbeweging aan de zijde van uitgevers tot inkrimping van het brede aanbod.

CONCLUSIE
1. In het algemene belang van de taal- en leesvaardigheid en uit cultuurpolitieke overwegingen is een adequate beloning van schrijvers noodzakelijk zodat zij blijven zorgen voor diversiteit in het boekenaanbod.
De overheid heeft in het leenrecht bij uitstek een middel in handen om daarin een stimulerende rol te spelen. De VSenV roept de overheid op deze taak voortvarend uit te voeren.
Het ministerie van OCW laat op dit moment de (oorzaken van de) leenrechtdaling onderzoeken. De VSenV zal mede aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek verder overleg voeren over de te nemen maatregelen.

2. Binnen dit algemene belang hebben schrijvers hebben een individueel belang, namelijk bescherming van het auteursrecht op hun boeken. Uitlening door bibliotheken is alleen toegestaan als er een billijke vergoeding voor betaald wordt: het leenrecht. Er zit niet voor niets ‘recht’ in dit woord. Het is geen gift, maar een aanspraak op een vergoeding voor de inbreuk die de uitlening in beginsel maakt.
De VSenV roept de Stichting Leenrecht op om adequate stappen te nemen tot invordering van leenrecht bij instellingen die nu boeken uitlenen zonder leenrecht af te dragen:
- De ‘vrijwilligersbibliotheken’, leeszalen en buurtcentra: het uitlenen geschiedt vaak onder het mom van ‘wij doen het lekker goedkoop zonder registratiesysteem en met vrijwilligers’ maar niet zelden met een overheidssubsidie. Het is onjuist en in strijd met de wet als in die situatie geen leenrecht wordt afgedragen.
- De bibliotheken op school: het uitlenen van de hedendaagse dBos overstijgt op grote schaal de beperkte activiteiten binnen de schoolmuren ten tijde van het invoeren van de vrijstelling van betaling van leenrecht voor scholen. Veel dBos-vestigingen worden door de openbare bibliotheek opgezet en ondersteund, vaak zelfs ter compensatie voor het sluiten van filialen. Het is daarom onjuist dat zij zich beroepen op de scholenvrijstelling.

VvL/VSenV, juni 2016
 




 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
login